Posts tonen met het label journalistiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label journalistiek. Alle posts tonen

maandag 31 oktober 2011

De Crisis: De Affaire Stapel

Verzonnen onderzoeksresultaten duperen niet alleen ontslagen hoogleraar

Artikel gepubliceerd in de vijfentwintigjarige jubileumeditie van 'Medium' Magazine, november 2011.
Download dit artikel hier in PDF.


De rubriek ‘De Crisis’ gaat over bedrijven
en/of overheden die zich door slechte communicatie of zelfs helemaal geen communicatie in de problemen brengen. Dit resulteert vaak in ontevreden consumenten, werknemers of andere belanghebbenden.

Eind augustus 2011 is prof. dr. Diederik Stapel vijf jaar verbonden aan de Universiteit van Tilburg als hoogleraar cognitieve sociale psychologie en op dat moment staat hij bekend als gezaghebbende in binnen- en buitenland. In dezelfde periode haalt een spraakmakend onderzoek van Stapel
en zijn collega´s verschillende media: het eten van vlees zou mensen egoïstischer en minder sociaal maken. Televisiepresentator Menno Bentveld besteedt in De Gids (VARA) aandacht aan het onderzoek en verklaart achteraf tegenover de Volkskrant dat hij het onderzoek ‘opvallend’ en ‘vreemd’ vindt, maar dat er in de gedragswetenschap wel vaker onverwachte resultaten worden gevonden. “Als een hoogleraar er heel stellig in is dat het onderzoek methodologisch goed in elkaar zit, ga ik daar maar op af.” Op 7 september 2011 blijkt het vertrouwen in Diederik Stapel desalniettemin ongegrond: hij geeft toe fraude te hebben gepleegd.

Zodra de Universiteit van Tilburg hier lucht van krijgt, wordt professor Stapel op non-actief gesteld. Direct nadat de verdenkingen van collega´s de rector magnificus (directeur, red.) Philip Eijlander hebben bereikt, stelt een speciale commissie van de
Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
een onderzoek in om na te gaan in welke publicaties van Stapel gefingeerde data zijn gebruikt. Elsevier meldt op 7 september dat Eijlander enkele dagen eerder al heeft aangegeven dat hoogleraar Stapel definitief niet zal terugkeren naar de universiteit. Ook een vertrekregeling gaat aan de neus van Stapel voorbij. Eijlander benadrukt wel dat hij zich er terdege van bewust is dat de universiteit schade kan oplopen als de aantijgingen ongegrond zullen blijken. Wanneer het verhaal de media haalt, blijkt dat de fraude niet alleen voor Diederik Stapel zelf verregaande gevolgen heeft. Ook de wetenschap en Nederlandse journalisten moeten het in de media ontgelden. Medium sprak met twee deskundigen die hun licht laten schijnen op de vraag welke gevolgen merkbaar zullen zijn en vooral voor wie.

Iris Dijkstra is wetenschapsjournaliste, gepromoveerd psychologe en docente Wetenschapsjournalistiek aan de Vrije Universiteit.

Wim Elving is hoogleraar Corporate Communicatie
aan de Universiteit van Amsterdam en hoofdredacteur van het internationale journal Corporate Communications.

De naam die bij deze crisis aanvankelijk het meest wordt genoemd is die van Diederik Stapel. Kan hij zijn wetenschappelijke carrière vaarwel zeggen?
ID
: “Ik denk dat zijn carrière wel over is. Daar kan hij niks meer aan doen. Het verzinnen van onderzoeksgegevens is een doodzonde. Hij is daardoor niet geloofwaardig meer en universiteiten zullen hem ook niet meer willen aannemen. Hoewel de omvang van het schandaal nog duidelijk moet worden, heeft hij bekend dat hij fraude heeft gepleegd. Dan vind ik het terecht dat zijn carrière voorbij is; fraude is nooit goed te praten.”
WE: “Als de commissie tot de conclusie komt dat Stapel onderzoeksgegevens heeft verzonnen, is ontslag terecht en zou hij niet meer in de wetenschap mogen werken. Ethisch handelen is in vele beroepen belangrijk, maar zeker binnen de academische wereld. Met onderzoek proberen we een stukje van de wereld te verklaren en deze kleine stukjes zorgen er gezamenlijk voor dat we iets meer begrijpen van, in dit geval, menselijk gedrag. Daarbij gaan we er van uit dat de kleine stukjes op gedegen onderzoek berusten. Willens en wetens deze ethische regels overtreden staat gelijk aan ‘einde carrière’. Ik heb het vermoeden dat dit niet een eenmalig optreden van Stapel is geweest. Ik vind het vreemd dat een briljante hoogleraar dit nodig denkt te hebben. Hier moet sprake zijn van een pathologisch patroon dat al veel langer duurt. Dan moeten vele Nederlandse wetenschappers die co-auteur zijn geweest van Stapel, zich gaan afvragen of de onderzoeken wel deugden.”


Rondom de publicatie van het ‘vleesonderzoek’ is het mede-onderzoeker Roos Vonk die de integriteit van het onderzoek vurig verdedigt. Zij en de andere mede-onderzoeker waren zich van geen kwaad bewust. Hebben de collega´s van Stapel iets te vrezen?
WE: “Vonk begaat de fout in de pers te hard van alles te roepen. Ze had het vleesonderzoek eigenlijk niet via een persbericht moeten communiceren. Ze was heel fel in haar reacties op mensen die kritiek hadden op de methode en
de analyses. Dat ze vervolgens twee weken later moet toegeven dat ‘haar goede vriend’ Diederik de gegevens uit zijn duim heeft gezogen, is heel vervelend voor haar, maar dat heeft ze ook over zichzelf afgeroepen. Met haar mediaoptredens gooit ze haar eigen ruiten in. Ze is zo sterk overtuigd van haar eigen gelijk wat betreft vlees eten, dat ze de resultaten helemaal
naar haar eigen standpunt vertaalt. Ik ken Roos Vonk persoonlijk en wil haar adviseren in de toekomst alleen onderzoek te doen waar ze zelf niet zo bij is betrokken. Haar betrokkenheid als oud-voorzitter van Wakker Dier gaat tegenwerken. Ze heeft niet de onafhankelijke positie die wetenschappers horen te hebben. Zo zien we maar weer dat Communicatie ook een echt vak is. Crisiscommunicatie en hoe je moet optreden in de media zijn expertises die Vonk zich nog eigen moet maken.”
ID:
“De vraag is hoe waardevrij het onderzoek van Vonk eigenlijk is. Zet ze niet slechts dingen op de agenda? Er is in dat kader waarschijnlijk sprake van belangenverstrengeling. Als je bij onderzoeken spreekt in termen van teleurstellingen, ben je niet goed bezig en kun je beter ander onderzoek gaan doen. Dan heb je niet de neiging iets weg te moffelen als het in strijd is met je eigen overtuigingen. Daarbij hoeft trouwens geen opzet in het spel te zijn bij Vonk. Er kan langzaam een bepaalde blindheid bij haar zijn ontstaan, een tunnelvisie die maakt dat ze haar eigen emotionele betrokkenheid niet meer opmerkt. Er is nu ook een onderzoek naar Vonk gaande. Het gaat niet alleen om de fraude; ook bij het naar buiten brengen van het onderzoek zijn joekels van fouten gemaakt. Normaal gesproken wordt zo´n persbericht naar buiten gebracht nadat een artikel is
gepubliceerd, nu gebeurde het zonder dat er iets op papier stond. Vonk wordt met name afgestraft voor de arrogantie waarmee ze degenen benaderde die het durfden om kritische vragen te stellen. Ik moet echter wel opmerken dat wanneer iemand met gefingeerde data komt en dat doet op een sluwe manier, het niet altijd mogelijk is dat te doorgronden. Maar het is een harde les. Wetenschappers vragen zich nu af in welke publicaties zij eigenlijk als co-auteur genoemd worden. De oplossing is om in elke publicatie duidelijk aan te geven wie waarvoor verantwoordelijk is. Dan maak je een einde aan de grote verleiding om genoemd te worden, aan het meeliften op publicaties van een ander. Dat nu vaak niet duidelijk is wie voor welk onderdeel verantwoordelijk is, vertroebelt de openheid.”

Wetenschapsjournalist Arno van ’t Hoog stelt op 14 september op
weblog De Nieuwe Reporter dat ‘de wetenschap’ door de affaire ‘meer argwaan verdient’ en dat ‘niet alles wat hoogleraren beweren wetenschap is’. Wat betekent de fopwetenschap van Stapel voor diegenen die nu onderzoek doen en willen publiceren?
WE: “Binnen Nederland zal de publieke opinie vraagtekens zetten bij de presentatie van
een onderzoek. Als wetenschapper kun je alleen maar doorgaan, maar je moet je er van bewust zijn dat de buitenwereld argwanender is geworden.”
ID:
“Er is natuurlijk een enorme discussie op gang gekomen. Misschien is de wetenschap wel het laatste bolwerk dat geslecht moet worden. In elke bedrijfstak vind je rotte
appels met lak aan ethische waarden. Wetenschappers zijn geen heiligen. Velen doen het goed, maar de wetenschap is een bedrijf waar ook fouten worden gemaakt. Ik vind het goed dat er nu wordt gekeken naar de vraag wat er fout kan gaan op allerlei niveaus en in allerlei stadia van het onderzoek. Heel goed dat die discussie losbarst, ook al zorgt die op dit moment wel voor een lager aanzien van de wetenschap. Misschien is dat echter iets tijdelijks. Één fout mag er niet voor zorgen dat het hele vertrouwen weg is. Ik ben ervan overtuigd dat deze affaire de wetenschap uiteindelijk ten goede komt, als er échte maatregelen worden getroffen, zoals meer peer reviews (controle door collega´s, red.). Er is misschien even een dip in het vertrouwen, maar als de wetenschap leert van deze zaak, gaat die  er uiteindelijk op vooruit.”

Bij het ontslaan van Stapel is directeur Philip Eijlander zich ervan bewust dat de universiteit schade kan oplopen. Welke schade kan de Universiteit van Tilburg oplopen (of heeft die al opgelopen) en wat kan ze daaraan doen?
ID: “Dat is imagoschade. Ik merk nu al op Twitter dat mensen lacherig doen over psychologen en al helemaal over sociaal-psychologen en de Universiteiten van Tilburg en Nijmegen (waar Roos Vonk hoogleraar is, red.). Ik vind het echter heel goed dat de Universiteit van Tilburg niet over één nacht ijs is gegaan; er zijn eerst drie diepgaande gesprekken gevoerd. Ze hebben juist gehandeld
en Stapel vecht zijn ontslag niet aan
. Ik acht de kans klein dat de universiteit hier dus echt een misser heeft begaan; ontslag is de enige juiste straf.”
WE: “De Universiteit Tilburg heeft het
enige juiste gedaan. Ik denk dat de universiteit al schade heeft opgelopen, want er zijn promovendi die op de gefingeerde data van Stapel een promotieonderzoek afronden. Maar er zit bij velen wel enige naïviteit. Het is toch niet normaal dat de professor data gaat verzamelen voor de promovendus? Verder denk ik dat met name de sociale psychologie in Nederland schade zal ondervinden: Stapel was hun boegbeeld. Omdat Stapel zo veel heeft gepubliceerd met vele collega’s, zal de verdenking op het gros van deze publicaties rusten. Het gaat jaren duren voordat men hierover heen is.”


De media zijn ‘erin getrapt’, blogt Jacco Hupkens op 14 september op nrcnext.nl. Wetenschapsjournalist Arno van ’t Hoog stelt op dezelfde dag op De Nieuwe Reporter dat ‘media hun professionele verantwoordelijkheid laten liggen’. Verschillende media hebben het vleesonderzoek gebracht als nieuws, zonder zeker te weten of het wel deugdelijk was. Welke gevolgen
heeft deze crisis voor de (betrokken) media?
ID: “Die mogen het zich ook erg aantrekken. Veel media hebben het persbericht over het onderzoek klakkeloos overgenomen zonder
vragen te stellen. Daarom treft de persafdeling ook blaam, die heeft het persbericht naar buiten gebracht zonder dat er een deugdelijk artikel is dat het onderbouwt. Journalisten kunnen wel een opfriscursus gebruiken om te leren hoe ze moeten omgaan met dubieuze persberichten. Meer argwaan is zeker op zijn plaats. Als de huidige generatie journalisten daarnaast goed werk wil gaan of blijven leveren, moet die meer kennis vergaren over methoden en statistiek. De doorsnee journalist is zich daar totaal niet van bewust. Ze moeten leren hoe ze de claims van de wetenschap moeten doorgronden. Ze vertrouwen nu nog te vaak op de blauwe ogen van de onderzoeker of universiteit. Ik zou een kritische houding zeer toejuichen. Ik wil benadrukken dat het niet alleen journalisten aan te rekenen is. Die werken onder enorme tijdsdruk, waardoor ze minder tijd hebben om dingen grondig na te gaan. Het is dus ook een geldkwestie, een kwestie van hoeveel mensen er aan één onderwerp kunnen werken. Journalisten moeten zich dat ook realiseren. Als ze steeds onvoldoende tijd krijgen om iets tot op de bodem uit te zoeken, moeten ze hun morele waarden in acht nemen en iets anders gaan doen.”
WE: “Bekend is dat journalisten niet vee
l van onderzoek weten en vaak klakkeloos iets overnemen. Als journalisten meer verstand van onderzoek zouden hebben, zou nog niet de helft de krant halen. Journalisten moeten kritischer worden op wat ze plaatsen. Begin met het bepalen wat de onderzoeksvraag en -methode waren, is het logisch om bijvoorbeeld op een groep van honderd respondenten sterke
uitspraken te doen? Journalisten hadden kritischere vragen moeten stellen bij de methode van het vleesonderzoek. Als ze daarnaast even op Google hadden gezocht, wisten ze dat Vonk oud- voorzitter is van Wakker Dier; over onafhankelijk onderzoek gesproken.”

Diederik Stapel verzon onderzoeksresultaten. Roos Vonk en collega vertrouwden blindelings op Stapel en verdedigden hem aanvankelijk in de media. Die media brachten het onderzoek argeloos in het nieuws. De Universiteit van Tilburg vreest de gevolgen van de affaire. Welke partij moet de meeste lering trekken uit deze zaak en wat moet die leren?
WE: “Ik ben bang dat het voor Stapel te laat is. Vonk is vreselijk naïef geweest, zowel door dit onderzoek
voor waar aan te nemen als door haar eigen positie te ondermijnen met haar mediaoptredens. Ik denk dat de wetenschap zelf het meeste lering kan trekken uit deze affaire. Individuele wetenschappers doen hun eigen onderzoek en publiceren dat terwijl niemand de ruwe data kent. Ik denk dat we binnen universiteiten meer moeten letten op wat we doen. Het halen van toppublicaties is zo belangrijk geworden voor de individuele loopbanen van wetenschappers dat de kans op fraude alleen maar toeneemt. De universiteiten willen dat al hun wetenschappers in de toptijdschriften publiceren, die druk is enorm. Dat kan wel eens ten koste gaan van het zorgvuldige karakter dat de wetenschap eigen is. Universiteiten, afdelingen en vakgroepen zullen meer checks moeten invoeren om zeker te weten dat die toppublicaties berusten op echt, academisch onderzoek
en niet op gefingeerde data.”
ID: “Wetenschappers moeten kritisch naar zichzelf kijken, zich afvragen
of zij verblind zijn door hun eigen belangen. Ook de media moeten het zich aantrekken. Deze zaak was nooit zo groot geworden als het persbericht niet was opgepikt. Ook de communicatieafdeling van de Universiteit van Nijmegen treft dus blaam. Iedereen wil scoren, op alle niveaus. Onderzoekers willen graag in de media komen zodat ze bijvoorbeeld subsidies krijgen voor toekomstig onderzoek. Ook de universiteit wil aanzien verkrijgen door het publiceren van een spraakmakend persbericht. Journalisten scoren graag met smeuïge nieuwtjes. We moeten van die scoringsdrift af. We moeten minder 'hyperig' zijn, minder belust op de waan van de dag. Dat komt het onderzoek en de journalistiek ten goede. Ik denk dat die scoringsdrift een algemene kwaal van de tijdsgeest is, waar we allemaal vanaf moeten. Ik hoop dat er echt iets gaat veranderen. Om me heen merk ik al dat sociaal-psychologen het zich erg aantrekken, die willen echt dingen veranderen. Het treft echter niet alleen hen. Die scoringsdrift hoort bij alle wetenschappen.”

© 2011 Leon van Wijk/'Medium' Magazine – Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de auteur.

donderdag 15 september 2011

Journalistiek en sociale media: vanzelfsprekend?

Over de onmisbaarheid van sociale media en de verantwoordelijkheid van journalistiekopleidingen

Gepubliceerd in 'Medium' Magazine, editie mei 2011.

Lees dit artikel hier in de complete online versie van 'Medium' Magazine, editie mei 2011.

Sociale media zijn inmiddels een vertrouwd middel om informele contacten te onderhouden. Voor journalisten zijn sociale media daarnaast nieuwe, maar potentieel belangrijke nieuwsbronnen. Welke mogelijkheden bestaan hier voor journalisten, wat is de verantwoordelijkheid van journalistiekopleidingen en vooral: wat moeten toekomstige journalisten over het dynamische vak weten?


De journalistiek heeft inmiddels de sociale media ontdekt. De vraag is echter welke rol sociale media vervullen in de toekomst van de journalistiek. 
Dr. Alexander Pleijter is onderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen en is gespecialiseerd in journalistiek, nieuwe media en innovatie in journalistiek en is daarnaast hoofdredacteur van website De Nieuwe Reporter en het blog De toekomst van de journalistiek. Volgens Pleijter hebben sociale media verschillende functies. “Journalisten kunnen sociale media gebruiken als nieuwsbron, als bron voor informatie, om informatie te checken, om contacten te onderhouden en om hun contacten uit te breiden.” Gezien de uiteenlopende mogelijkheden mag verwacht worden dat journalisten nu al veel gebruik maken van sociale media. Pleijter: “Ik vrees dat er nog niet veel veranderd is. Veel journalisten doen er nog weinig mee, terwijl het eigenlijk een vanzelfsprekendheid is eraan mee te doen. Het gebruik van sociale media is vandaag de dag net zo essentieel als het gebruik van een telefoon. Het werk moet niet in het teken ervan gaan staan, maar als journalisten er geen gebruik van maken, is dat hopeloos ouderwets.” Roel van Leeuwen, verslaggever van het Noordhollands Dagblad en plaatsvervangend chef van de centrale verslaggeversploeg, herkent het door Pleijter geschetste beeld. “Ik zie pas sinds kort een cultuuromslag op onze redactie. Drie maanden geleden was slechts een enkeling actief op Twitter, tegenwoordig heeft de helft van de verslaggevers een Twitteraccount.”

Exclusiviteit
Ondanks de stijgende populariteit van sociale media, denkt journalistiek en nieuwe media-deskundige Pleijter niet dat ze onmisbaar zijn. “Alles is in principe mogelijk, maar het gaat erom dat journalisten die middelen gebruiken die handig zijn bij hun journalistieke werk.” Noordhollands Dagbladverslaggever Van Leeuwen acht sociale media ook nog niet noodzakelijk. “Maar dat zal snel veranderen. Mediabedrijven betrekken sociale media in hun beleid om meer mensen te interesseren voor hun producten en journalisten zullen daarin - of ze het nu leuk vinden of niet - mee moeten gaan.” Door het gebruik van sociale media zal de journalistieke cultuur volgens Van Leeuwen niet veranderen. “In de kern doen we nog steeds hetzelfde. Maar we gebruiken, naast de oude methoden, nieuwe instrumenten om nieuws te vergaren en te presenteren.” Volgens Pleijter verschilt het sterk per journalist welk sociaal medium voor hem of haar het nuttigst is. “Ben je bijvoorbeeld internationaal journalist in Afrika, zal je aan Hyves weinig hebben. Het ligt eraan waar de voor jou relevante mensen zitten. Ben je lokaal verslaggever, is het essentieel dat mensen uit de stad je volgen en dat jij hen volgt. Zij voorzien je van relevante informatie en zo ben je ontzettend snel op de hoogte. Als je in zo´n geval geen gebruik maakt van sociale media, moet je afwachten op persberichten die een dag later komen en dat hoeft niet meer.” Verslaggever Van Leeuwen is vooral actief op Twitter. “Begin vorig jaar kwam ik er voor het eerst mee in aanraking. Ik zag het vooral als extra mogelijkheid om nieuws onder de aandacht te brengen van een breder publiek. Ik heb toen voor mijn collega's een Twitterpresentatie gehouden om ze kennis te laten maken met dit medium.” Over de voornaamste reden voor zijn Twittergebruik is Van Leeuwen duidelijk. “Het is van levensbelang om een goed netwerk op te bouwen en via Twitter kun je dat zowel opbouwen als onderhouden. Zeker voor dagbladjournalisten is de inzet van Twitter een goede mogelijkheid om als eerste nieuws te brengen en meteen je verhaal dat de volgende dag in de krant verschijnt, te promoten.”
De vraag of face-to-face communicatie (met bijvoorbeeld nieuwsbronnen) in de toekomst vervangen zal kunnen worden door het sturen van berichten op sociale media, beantwoordt journalistiekdeskundige Pleijter terughoudend. “Voor een gedeelte zal dat wel zo zijn. Dat is na introductie van de telefoon ook in bepaalde mate gebeurd. Ik weet echter niet of sociale media dezelfde werking zullen hebben. Wil een journalist iemand portretteren, kan dat niet via Twitter of Facebook. Je hebt dan wel een gesprek met elkaar, maar door de kortheid van de berichtjes op een heel ander niveau.” Ook verslaggever Van Leeuwen denkt niet dat face-to-face communicatie vervangen zal worden, maar heeft hiervoor een heel andere reden. “Ik zie sociale media als toevoeging en niet als vervanging van bestaande nieuwsbronnen en contacten. Wel moet je beseffen dat als je via Twitter een tip oppakt, je waarschijnlijk niet de enige bent. In dat opzicht biedt face-to-face contact meer garanties op exclusiviteit.”

Eisen van de arbeidsmarkt

Journalistiekdeskundige Pleijter vindt het ontzettend belangrijk dat journalistiekopleidingen inspringen op de ontwikkelingen rondom sociale media en journalistiek. “Maar dat is voor scholen heel lastig. Zij leiden studenten namelijk op naar de eisen van de arbeidsmarkt. Het heeft totaal geen nut om als opleiding op de troepen vooruit te gaan lopen, maar het is natuurlijk erg belangrijk om de journalisten van de toekomst over sociale media te onderwijzen. Dat zorgt voor innovatie binnen redacties. Jonge journalisten kunnen gaan samenwerken met oudere journalisten en zo kunnen ze van elkaar leren en daar beide van profiteren.” Ook Noordhollands Dagbladverslaggever Van Leeuwen onderstreept het belang van aandacht vanuit opleidingen, maar stelt dat die ‘zich er niet blind op moeten staren’. “Je kunt als student nog zo handig zijn op Twitter; als je niet in staat bent een goed verhaal te schrijven of feiten en meningen van elkaar te onderscheiden dan heb je in de journalistiek weinig te zoeken.” Ondanks het feit dat Pleijter overtuigd is van het belang van onderwijs over sociale media bij journalistiekopleidingen, wordt er volgens hem te weinig aandacht aan besteed. “De journalistiekopleidingen leiden vooral gericht op voor één medium. Het is echter belangrijk aandacht te hebben voor crossmediale journalistiek. Het resultaat is dat redacties vaak moeite hebben om internetvaardige studenten te vinden. Internetredacties worden gezien als een ondergeschoven kindje, zowel door de opleidingen als door de media zelf. Die laatste hebben de opvattingen dat ze ‘het er wel even bij doen’. Veel van het werk van de vaak kleine internetredacties bestaat uit het doorplaatsen van stukken die al in bijvoorbeeld een krant zijn verschenen.”
Journalistieke duizendpoten
Het valt Noordhollands Dagbladverslaggever Van Leeuwen op dat zijn werkgever wezenlijk is veranderd. “Waar we voorheen echt een krantenbedrijf waren, zijn we nu meer een nieuwsorganisatie die verschillende media, zoals internet en sociale media, bedient.” Van Leeuwen acht het bestaan van huidige nieuwsorganisaties niet veilig. “Willen we overleven, moeten we echt met goede producten (zoals nieuwsapplicaties, red.) komen voor smartphones en tablets. Liefst producten waarvoor mensen bereid zijn te betalen en die recht doen aan de mogelijkheden van deze mediadragers.” De vraag is welke ontwikkelingen toekomstig journalisten in de gaten dienen te houden en over welke vaardigheden zij moeten beschikken. Journalistiekdeskundige Pleijter: “Maak dat je verschillende vaardigheden beheerst. Zorg dat je zowel goed kunt schrijven, als foto´s én video´s kunt maken. Die activiteiten dienen tot het standaardgereedschap van journalisten te behoren. Het is heel handig als deze verschillende dingen gedaan kunnen worden door één persoon.et H Ga ook op zoek naar de handige en makkelijke applicaties die er op internet beschikbaar zijn om bijvoorbeeld grafieken te maken ter verduidelijking bij journalistieke producties. Naar dat soort ontwikkelingen moet je nieuwsgierig zijn.” Noordhollands Dagbladverslaggever Van Leeuwen is het hiermee eens. “Jonge journalisten zullen zich moeten ontwikkelen tot journalistieke duizendpoten.”

Daarnaast is het volgens Pleijter ontzettend belangrijk voor journalisten open te staan voor wat je publiek te zeggen heeft. “Journalisten in de dop moeten zich realiseren dat het publiek meer weet dan zij alleen. Het heeft geen nut defensief te zijn en je artikel tot aan publicatie strikt geheim te houden. Je moet er juist vanaf begin af aan mensen bij betrekken. Sta open voor reacties en vragen, dat is alleen maar nuttig voor een eventuele follow-up. Ik vind het onbegrijpelijk als journalisten weigeren de discussie aan te gaan met hun publiek. Daar wordt je als journalist niet slechter van, alleen maar beter.” Een andere tip die Pleijter heeft, is het beginnen van een blog. “Je wordt dan op regelmatige basis gedwongen te schrijven. Als je het niet doet, is dat een enorme misgelopen kans. Je kan op een blog oefenen met schrijven in verschillende genres, schrijfstijlen en je kunt je eigen specialisatie ontwikkelen. Hoewel er ook regelmatig generalisten gevraagd zullen worden, is specialisatie van wezenlijk belang. Volgens Pleijter vormt het bijhouden van een blog een belangrijk voordeel als studenten op zoek gaan naar werk. “Het bijhouden van een blog is als het ware het opbouwen van een eigen portfolio.  Je kunt laten zien dat je ervaring hebt met schrijven en publiceren, je kunt routine opbouwen. Via je blog kun je jezelf ook profileren en pluggen, je kunt je werk verspreiden. Ook hierbij zijn sociale media essentieel.”

© 2011 Leon van Wijk/'Medium' Magazine – Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de auteur.